Les 1. Werkwoordspelling

Werkwoordspelling

Werkwoordspelling lijkt soms ingewikkeld, maar je kunt vrijwel elke twijfel oplossen met een vaste aanpak. Bepaal eerst welke werkwoordsvorm je voor je hebt. Daarna pas je de juiste regel toe.

De drie vormen die je het vaakst tegenkomt, zijn:

  • de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd;

  • de persoonsvorm in de verleden tijd;

  • het voltooid deelwoord.

De stam is het uitgangspunt voor de spelling van werkwoorden. Je vindt de stam door van het hele werkwoord -en af te halen: beoordelen → beoordeel, melden → meld, controleren → controleer. Bij werkwoorden als doen, gaan en zien haal je alleen de -n weg: doe, ga.

Stap 1: Vind de persoonsvorm

De persoonsvorm verandert als je de zin in een andere tijd zet of er een vraag van maakt.

De toezichthouder controleert de locatie.
Controleert de toezichthouder de locatie?
De toezichthouder controleerde de locatie.

Controleert is in deze zinnen de persoonsvorm.

Stap 2: Kies de juiste vorm

In de tegenwoordige tijd gebruik je de stam of stam + t.

  • Bij ik schrijf je de stam: ik beoordeel, ik word.

  • Bij jij/je vóór de persoonsvorm schrijf je meestal stam + t: jij beoordeelt, je wordt.

  • Bij jij/je ná de persoonsvorm schrijf je alleen de stam: beoordeel jij?, word je?

  • Bij hij, zij, het schrijf je stam + t: hij beoordeelt, de aanvraag wordt behandeld.

  • Bij u schrijf je ook stam + t: u beoordeelt, wordt u geïnformeerd?

  • Bij wij, jullie, zij gebruik je het hele werkwoord: wij beoordelen, zij worden geïnformeerd.

Let vooral op de plaats van jij of je.

Jij beoordeelt de aanvraag.
Beoordeel jij de aanvraag?

Je wordt geïnformeerd.
Word je geïnformeerd?

Bij u schrijf je altijd een -t: u beoordeelt, beoordeelt u, u wordt, wordt u.

Stap 3: Let op werkwoorden op -d en -t

Eindigt de stam op een d, dan krijg je bij hij, zij, het en u vaak -dt.

ik word
hij wordt
u wordt
word je?
wordt u?

Eindigt de stam al op een t, dan schrijf je geen dubbele t.

ik zet
hij zet
je zet de gegevens klaar
zet je de gegevens klaar?

Dus: hij toetst, maar niet hij toettst. De stam eindigt al op een t.

Stap 4: Verleden tijd

Bij regelmatige werkwoorden schrijf je in de verleden tijd -de(n) of -te(n).

Gebruik -te(n) als de stam eindigt op een klank uit ’t kofschip of ’t fokschaap: t, k, f, s, ch of p.

toetsen → ik toetste → wij toetsten
handhaven → ik handhaafde → wij handhaafden
vaststellen → ik stelde vast → wij stelden vast

Gebruik -de(n) als de stam eindigt op een klinker of een andere medeklinker.

melden → ik meldde → wij meldden
beoordelen → ik beoordeelde → wij beoordeelden
verlenen → ik verleende → wij verleenden

Stap 5: Voltooid deelwoord

Een voltooid deelwoord staat vaak na hebben, zijn of worden.

De inspecteur heeft de overtreding gemeld.
De aanvraag is beoordeeld.
De gegevens zijn getoetst.
De vergunning wordt verleend.

Twijfel je tussen een -d en een -t? Zet het werkwoord dan in de verleden tijd.

melden → meldde → gemeld
beoordelen → beoordeelde → beoordeeld
verlenen → verleende → verleend
toetsen → toetste → getoetst
vaststellen → stelde vast → vastgesteld

Eindigt de verleden tijd op -de, dan eindigt het voltooid deelwoord op -d. Eindigt de verleden tijd op -te, dan eindigt het voltooid deelwoord op -t.

Veelgemaakte fouten

  • Niet juist: De toezichthouder controleerd de locatie.
    Juist: De toezichthouder controleert de locatie.
    Dit is een persoonsvorm: hij controleert.

  • Niet juist: De vergunning wordt verleent.
    Juist: De vergunning wordt verleend.
    Dit is een voltooid deelwoord: verleende in de verleden tijd.

  • Niet juist: De inspecteur heeft de situatie beoordeelt.
    Juist: De inspecteur heeft de situatie beoordeeld.
    Na heeft staat een voltooid deelwoord.

  • Niet juist: Wordt je geïnformeerd?
    Juist: Word je geïnformeerd?
    Je staat na de persoonsvorm. Daarom schrijf je de stam: word.

  • Niet juist: Hij toetsst het rapport.
    Juist: Hij toetst het rapport.
    De stam toets eindigt al op een t.



→ Zelfcontrole tijdens het schrijven

Gebruik deze stappen wanneer je een brief, besluit of rapport controleert:

  1. Markeer de werkwoorden waarover je twijfelt.

  2. Bepaal of het een persoonsvorm, verleden tijd of voltooid deelwoord is.

  3. Bij een persoonsvorm: maak er een vraag van of zet de zin in de verleden tijd.

  4. Bij jij/je: kijk of het onderwerp vóór of ná de persoonsvorm staat.

  5. Bij een voltooid deelwoord: zet het werkwoord in de verleden tijd.
    is gemeldmeldde → dus: gemeld.

  6. Lees de hele zin opnieuw. Controleer of onderwerp en persoonsvorm bij elkaar passen: de aanvraag wordt, maar de aanvragen worden.